Waarom je je kapotzweet in je cosplay: dit moet je weten over stoffen
Daar sta je weer, op Comic Con, te zweten in je polyester outfit. Of in je broek, die misschien toch niet helemaal goed meewerkt met je bewegingen. Dit soort herkenbare problemen ontstaan deels door je stofkeuze. Want ja, er zitten wezenlijke verschillen tussen stofsoorten. We leggen het je uit.
Foto: Freepik
Polyester, katoen, linnen, spandex; maakt het nu echt uit welke stof je kiest? Kun je niet gewoon voor de goedkoopste gaan? Komt vast allemaal goed, toch?
Of je je cosplay nu koopt of zelf maakt, de stofsoort heeft flinke impact op de kwaliteit en het draagcomfort. Er zijn namelijk talloze stoffen op de markt, allemaal met hun eigen eigenschappen. Naast bekende stoffen als katoen, linnen en polyester heb je bijvoorbeeld ook bouclé, organza, skai, tuft en charmeuse, om maar een paar te noemen. Stoffen die je op het gemiddelde kledinglabel minder snel tegenkomt.
De meest gangbare stoffen kun je echter in grofweg vier categorieën indelen: natuurlijke stoffen, synthetische stoffen, stretch-stoffen en stoffen zonder stretch. Iedere categorie heeft zo zijn voor- en nadelen.
Natuurlijke stoffen voor cosplay: voor- en nadelen
Hoewel al die stoffen zo hun eigen eigenschappen hebben, hebben natuurlijke stoffen ook een aantal gemeenschappelijke voordelen. Meest belangrijk is dat deze stoffen ademen. Dat betekent dat de stof lucht en vocht door kan laten. Daardoor kan de lucht circuleren, wat je een stuk koeler houdt, en kan je zweet worden afgevoerd. Met andere woorden: je zweet een stuk minder in een pak van katoen dan wanneer je polyester aan hebt.
Met ‘natuurlijke stoffen’ bedoelen we stoffen die gemaakt zijn van materialen die we in de natuur tegenkomen. Katoen is gemaakt van de katoenplant, wol komt van een schaap, zijde is gemaakt van de draden die zijderupsen produceren en linnen komt van de vezels van een vlasplant.
Maar natuurlijke stoffen hebben ook nadelen. Net als alles in de natuur zijn ze biologisch afbreekbaar, wat betekent dat ze sneller kapotgaan dan iets van polyester. Bacteriën en schimmels vreten de stof namelijk langzaam op. Daarnaast kreuken dit soort stoffen vaak een stuk sneller dan synthetische alternatieven.

De katoenplant, waar katoen van gemaakt wordt. Foto: Freepik.
Veel natuurlijke stoffen hebben daarnaast als voordeel dat ze je warm houden als het koud is en je afkoelen als het warm is.
Voorbeelden van natuurlijke stoffen: katoen, linnen, zijde, wol, hennep, bamboe.
Synthetische stoffen: polyester en alternatieven
Naast de natuurlijke optie zijn er ook synthetische stoffen, die dus niet uit natuurlijke bronnen komen. Deze stoffen worden veelal gemaakt uit aardolie en aardgas, die via een chemisch proces worden omgezet in vezels. Polyester is de bekendste synthetische stof, waar PET de basis voor vormt. PET, als in de PET-fles. Met andere woorden: plastic.
Waarom zou je zoiets willen gebruiken voor stoffen? Allereerst omdat synthetische stoffen heel sterk zijn, wat ze erg geschikt maakt voor bijvoorbeeld een tent of een regenjas. Daarnaast hebben dit soort stoffen geen last van bacteriën en schimmels, waardoor ze veel langer meegaan en gemakkelijk schoon te krijgen zijn. Ook zijn ze snel droog, verkleuren ze nauwelijks en kreuken ze ook bijna niet.
Maar in tegenstelling tot veel natuurlijke stoffen nemen synthetische stoffen geen vocht op, waardoor ze sneller zweterig aan gaan voelen. Dat kostuum waar je binnen vijf minuten een zwembad in gezweet hebt? Dat is dus waarschijnlijk van een stof als polyester gemaakt.

Foto: Freepik
Een ander nadeel is tegelijk ook één van de genoemde voordelen: synthetische stoffen breken nauwelijks af. Hoewel dat betekent dat je kostuum heel lang mee kan voordat het kapotgaat, betekent dit ook dat het eindeloos lang in de wereld blijft rondzwerven. Afgedankte polyester kostuums zijn lastig af te breken en eindigen tegenwoordig vaak op een vuilnisbelt, waar ze jaren lang het milieu liggen te vervuilen. Niet echt duurzaam, dus.
Voorbeelden van synthetische stoffen: polyester, nylon, kunstleer (skai), elastaan (spandex/lycra), viscose (half-synthetisch, dus deels gemaakt met een natuurlijke stof), acryl.
Stretchstof of niet: wat past bij jouw cosplay?
Een stof bestaat dus uit een natuurlijke of synthetische vezel, of een combinatie van de twee. Maar stoffen hebben nog een eigenschap: zijn ze rekbaar of niet rekbaar?
Een rekbare stof, ook wel een stretchstof genoemd, is precies wat de naam al zegt: stof die je kunt uitrekken. Dit soort stoffen wordt bijvoorbeeld voor t-shirts gebruikt, zodat het shirt mooi aansluit op je lijf en je hoofd door het halsgat past. Zou je daar een stof zonder stretch voor gebruiken, dan heb je een enorm gat nodig voor je hoofd.
Nu zijn er stoffen die van zichzelf al rekbare eigenschappen hebben, zoals jersey of tricot. Andere stoffen zijn een mix van vezels, bijvoorbeeld een combinatie van katoen en elastaan. Op die manier wordt er een stretchy eigenschap toegevoegd aan een materiaal dat eigenlijk niet rekbaar is.
Bijkomend voordeel van veel stretchstoffen is dat het nauwelijks of niet kreukelt in de was. Je hoeft een kledingstuk van stretchstof vaak dus niet te strijken.

T-shirts worden meestal van stretchstof gemaakt. Foto: Freepik.
Een stretchstof geeft echter weinig structuur en stevigheid aan een kledingstuk. Dit soort stoffen zorgen er namelijk voor dat een kledingstuk heel soepel valt. Maar soms wil je iets wat stijver is en zijn vorm beter vasthoudt. Denk aan een wijder vallende broek, een minder soepelvallende jurk, jassen of bepaalde tops.
Welke stof kies je voor je cosplay?
Dus, wat kun je nu het beste gebruiken voor jouw cosplay? Dat hangt maar net af van wat het is dat je maakt.
Allereerst hangt veel af van de periode waaruit je karakter komt. Synthetische stoffen zijn relatief nieuw, dus iemand in de middeleeuwen zal geen polyester jurk aan hebben. Maar in de toekomst kunnen we misschien geen katoen meer verbouwen. Voor futuristische karakters zijn synthetische stoffen dus misschien wel een logische keuze.
Verder kun je de eigenschappen van de verschillende stoffen laten meespelen. Wil je een nauwsluitende jurk, zonder rits of knopen? Dan kies je een stretchstof. Heb je juist iets wat stevig moet zijn en waar veel structuur in moet zitten, kies dan een optie zonder stretch. En wil je dat de jurk nog een beetje ademt, kies dan een mix met een natuurlijke vezel. Bijvoorbeeld een stof die voor 95% uit katoen bestaat, met een klein beetje elastaan.
Maar in ieder geval geldt: als je je niet helemaal kapot wil zweten op een con, zijn natuurlijke stoffen the way to go. Dat je ze moet strijken en ze wat minder lang meegaan, nemen we dan maar voor lief.
Natuurlijk vs. synthetisch: hoe herken ik dat?
De volgende vraag is: hoe herken je al die verschillende stoffen dan? Of een stof rekbaar is of niet, ontdek je eenvoudig: probeer de stof eens wat uit te rekken. Dat geeft je direct een antwoord.
Maar of een stof van natuurlijke vezels gemaakt is of niet, dat is lastiger uit te vinden. Je kunt het natuurlijk aan de verkoper vragen en in veel gevallen staat het ook gewoon op de rol stof aangegeven. Koop je een cosplay, dan staat op het kledinglabel aangegeven welke stoffen er gebruikt zijn. Vaak is dat een verhouding, zoals 97% polyester en 3% katoen. Verder zijn materialen met stretch vaak op zijn minst een blend. Is een stof rekbaar, dan is de kans dus groot dat er een bepaalde mate van synthetische vezels in zit, al hoeft dat niet veel te zijn.
Wil je echt 100% zeker weten waar je mee te maken hebt, dan zijn er wat tests die je zelf kunt uitvoeren.
Bernadette Banner maakte een handige video met uitleg over hoe je bepaalde stoffen kunt herkennen. Onder de video beschrijven we de tests die zij gebruikt kort.
De brandproef
Eén van de opties is om een stukje van je stof af te knippen en in brand te steken. Ja, echt. Natuurlijke stoffen reageren namelijk anders op vuur dan synthetische varianten.
Plantaardige vezels, zoals katoen en linnen, branden bijvoorbeeld snel op. Daarbij komt een geur vrij die lijkt op die van brandend papier en de rook wordt lichtgrijs. Na het branden gloeit de stof nog even na. Geen van de vezels smelt.
Dierlijke vezels, zoals wol, branden wat langzamer op en ruiken tijdens de proef naar brandend haar (want dat is het in feite ook). Haal je de vlam weg, dan dooft het uit zichzelf weer. Ook deze stof smelt niet bij verbranding.
Synthetische vezels smelten zodra de vlam in de buurt komt van de stof. De rook wordt erg donker en hetgeen wat achterblijft is nogal hard.
Is je stof een mix van natuurlijke en synthetische vezels, dan zie je dat ook in de brandproef. Het resultaat is een mix van de eerder beschreven gedragingen.
Proef met bleek
Een andere proef is die met bleek (let op: je wil bleek niet op je huid krijgen! Dus wees voorzichtig). Hiermee kun je ontdekken of een stof uit proteïne is opgebouwd, wat doorgaans stoffen zijn die van dierlijke materialen worden gemaakt. Dat zijn bijvoorbeeld wol en zijde.
Dit soort stoffen lossen namelijk volledig op in bleek, waar synthetische stoffen en plantaardige stoffen als katoen en linnen dat niet doen. Wil je dus weten of jouw wol wel echt wol is, dan kun je een klein stukje in een bakje bleek doen en dat even laten staan.
Lost de stof op, dan is het wol. Lost het helemaal niet op, dan is het geen wol. Lost het deels op, dan is het waarschijnlijk een mix van wol en iets anders.




